GEBRUIKERSHANDLEIDING BUITENBOORDMOTOREN
F50/60 BEL-D F50/60 BEL-T F50/60 FEL-T
Inhoudsopgave
- 1. Belangrijkste onderdelen en algemene informatie
- 2. Bediening
- 2.1 Installatie
- 2.2 Invaren van de motor (inloopprocedure)
- 2.3 Inspecties voor gebruik
- 2.4 Brandstof bijvullen
- 2.5 Starten van de motor
- 2.6 Warmdraaien van de motor
- 2.7 Schakelen
- 2.8 Stuurhendel
- 2.9 Trimtab (Trimvlak)
- 2.10 Stoppen van de motor
- 2.11 Trimmen van de buitenboordmotor
- 2.12 Varen in andere omstandigheden
- 3. Onderhoud
- 3.1 Smeren
- 3.2 Reinigen en afstellen van de bougies
- 3.3 Controle van het brandstofsysteem
- 3.4 Inspectie van het stationair toerental
- 3.5 Verversen van de motorolie
- 3.6 Inspectie van bedrading en connectoren
- 3.7 Controle op lekkages
- 3.8 Infectie van de schroef (propeller)
- 3.9 Verversen van de staartolie (tandwielkastolie)
- 3.10 Reinigen van de brandstoftank
- 3.11 Controle en vervanging van de anode(s)
- 3.12 Inspectie van de bovenkap
- 3.13 Onderhoudsschema
- 4. Transport en opslag
- 5. Handelen bij noodgevallen
- 6. Probleemoplossing
- 7. Elektrisch schema
1. Belangrijkste onderdelen en algemene informatie
1.1 Belangrijkste onderdelen

- Bovenkap (Cowling)
- Vergrendelingshendel bovenkap
- Aftappluimg (olieaftapschroef)
- Anticavitatieplaat
- Trimtab (Trimvlak)
- Schroef (Propeller)
- Koelwateringang
- Tilt- en trimbalk
- Beugel (Bracket)
- Tilt- en trimknop
- Handvat van de stuurhendel

- Handgreep handstart
- Schakelhendel
- Stopknop en noodstopschakelaar
- Wrijvingsteller van de gashendel
- Gashendel
- Steunbalk
- Tilt-vergrendelingshendel
- Brandstoftank
- Afstandsbedieningskast (Control box)
Een draagbare brandstoftank bevat de volgende onderdelen:

- Tankdop
- Brandstofconnector
- Ontluchtingsschroef

- Brandstofmeter
WAARSCHUWING:
De brandstoftank die bij deze motor wordt geleverd, mag alleen worden gebruikt voor brandstoftoevoer tijdens gebruik en mag niet worden gebruikt voor permanente brandstofopslag.
Afstandsbediening
De hendel van de afstandsbediening bedient zowel de versnellingsbak als het gas. De elektrische schakelaars zijn gemonteerd op de afstandsbedieningskast.
- Hendel afstandsbediening
- Vrijloop-vergrendeling (Neutral lock trigger)
- Vrijloop-gashendel (Neutral throttle lever)
- Hoofdschakelaar/Choke-schakelaar
- Motorstop-stopschakelaar
- Wrijvingsteller van het gas

Hendel afstandsbediening
Door de hendel vanuit de vrijloopstand (neutraal) naar voren te duwen, wordt de versnelling 'vooruit' ingeschakeld. Door de hendel vanuit neutraal naar achteren te trekken, wordt de versnelling 'achteruit' ingeschakeld. De motor blijft stationair draaien totdat de hendel ongeveer 35º uit neutraal wordt bewogen (merkbaar door een pal). Door de hendel verder te bewegen, wordt het gas geopend en zal het motortoerental toenemen.
- Neutraal "N"
- Vooruit "F"
- Achteruit "R"
- Schakelen
- Volledig gesloten
- Gas geven
- Volledig geopend

Vrijloop-vergrendeling (Neutral lock trigger)
Om uit de vrijloopstand te schakelen, moet eerst de vrijloop-vergrendeling omhoog worden getrokken.

- Vrijloop-vergrendeling (Neutral lock trigger)
Vrijloop-gashendel (Neutral throttle lever)
Om het gas te openen zonder in een versnelling te schakelen, zet u de afstandsbedieningshendel in neutraal en trekt u de vrijloop-gashendel omhoog.
LET OP:
De vrijloop-gashendel werkt alleen als de afstandsbedieningshendel in neutraal staat. De afstandsbedieningshendel werkt alleen als de vrijloop-gashendel in de gesloten positie staat.
- Volledig geopend
- Volledig gesloten

1.2 Algemene informatie
1.2.1 Specificaties
Belangrijkste technische gegevens:
| Item | Gegevens | Item | Gegevens |
|---|---|---|---|
| Motortype | Vier cilinder, 4-takt | Gewicht (BEL-T) | 115 Kg |
| Cilinder | 996 cm3 | Gewicht (FEL-T) | 110 Kg |
| Boring x Slag | 65 mm x 75 mm | Aanbevolen brandstof | Normale loodvrije benzine |
| Overbrengingsverhouding | 1.85 (24/13) | Tankinhoud | 24 L |
| Totale lengte | 1383 mm (BEL-D/T) 713 mm (FE-T) | Aanbevolen motorolie | SAE10W30 of SAE10W40 |
| Totale breedte | 427 mm | Hoeveelheid motorolie | 2.1 L (met filter) |
| Totale hoogte | 1435 mm | Aanbevolen staartolie | Hypoid gear oil SAE # 90 |
| Spiegelhoogte | 508 mm | Hoeveelheid staartolie | 430 cm3 |
| Gewicht (BEL-D) | 113 Kg | Bougie | DPR7EA-9 |
Prestatiegegevens:
| Item | Gegevens | Item | Gegevens | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Maximaal vermogen | 44,1 Kw / 5500 rpm (60 HP) | Aanhaalmoment | Bougie | 18,0 Nm | |
| Maximaal vermogen | 36,8 Kw / 5500 rpm (50 HP) | voor de | Schroefmoer | 35,0 Nm | |
| Stationair toerental (N, EFI) | 800 ± 50 rpm | Olieaftapschroef | 18,0 Nm | ||
| Toerentalbereik bij volgas | 5000 ~ 6000 rpm | motor | Oliefilter | 18,0 Nm | |
| Klep inlaat (koude motor) | 0,15 ~ 0,25 mm | Elektrodenafstand bougie | 0,8 ~ 0,9 mm | ||
| Klep uitlaat (koude motor) | 0,25 ~ 0,35 mm |
1.2.2 Brandstofvoorschriften
Brandstofinstructies:
Aanbevolen benzine:
Loodvrije normale benzine. Indien niet beschikbaar, gebruik dan loodvrije superbenzine.
Indien pingelen of kloppen van de motor optreedt, gebruik dan een ander merk benzine of loodvrije superbenzine. Indien er constant met gelode benzine wordt gevaren, moeten de klep en bijbehorende onderdelen elke 100 bedrijfsuren worden gecontroleerd.
WAARSCHUWING:
- Rook niet tijdens het tanken en blijf uit de buurt van vonken, vlammen of andere ontstekingsbronnen.
- Zet de motor uit voordat u gaat tanken.
- Tank in een goed geventileerde ruimte; vul draagbare brandstoftanken buiten de boot.
- Vul de brandstoftank niet te vol.
- Zorg ervoor dat u geen benzine morst. Als er benzine is gemorst, neem dit dan onmiddellijk op.
- Draai de tankdop stevig vast na het tanken.
- Indien benzine wordt ingeslikt, dampen worden ingeademd of benzine in de ogen komt, onmiddellijk een arts raadplegen.
- Indien benzine op de huid komt, onmiddellijk wassen met water en zeep. Verander van kleding als er benzine op is gemorst.
- Houd het vulpistool in contact met de metalen delen om elektrostatische vonken te voorkomen.
LET OP:
Gebruik alleen verse en schone benzine die is opgeslagen in schone containers en niet is verontreinigd door water of vreemde stoffen.
Motorolie:
Aanbevolen motorolie: 4-takt buitenboordmotorolie SAE10W30 en SAE10W40 (1,7 L).
WAARSCHUWING:
- Start de motor niet bij een laag oliepeil. Dit kan ernstige schade veroorzaken.
- Controleer altijd het oliepeil voordat u de motor start.
LET OP:
Alle 4-takt motoren worden vanuit de fabriek geleverd zonder motorolie.
1.2.3 Schroefkeuze
De prestaties van uw buitenboordmotor zijn in hoge mate afhankelijk van de keuze van de schroef (propeller). Een onjuiste keuze kan de prestaties negatief beïnvloeden. De buitenboordmotor is uitgerust met schroeven die gekozen zijn voor een breed scala aan toepassingen, maar er kunnen situaties zijn waarin een schroef met een andere spoed (pitch) geschikter is. Dealers hebben een assortiment schroeven en kunnen u adviseren en de meest geschikte schroef voor uw toepassing installeren.
Voor een zwaardere belasting van de boot en een lager motortoerental is een schroef met een kleinere spoed geschikter. Omgekeerd is een schroef met een grotere spoed geschikter voor een lichtere belasting, omdat hiermee het juiste motortoerental behouden blijft.
2. Bediening
2.1 Installatie
Monteer de buitenboordmotor op de middellijn (kiellijn) van de boot. Raadpleeg uw dealer bij boten zonder kiel of bij asymmetrische boten.

- Middellijn (kiellijn)
LET OP:
Controleer tijdens een proefvaart het drijfvermogen van de boot in stilstand met de maximale belasting. Controleer of het statische waterniveau bij het uitlaathuis laag genoeg is om te voorkomen dat er water in het motorblok komt wanneer het water door golven omhoog komt terwijl de motor niet draait.
WAARSCHUWING:
- Overpowering van een boot kan ernstige instabiliteit veroorzaken. Installeer nooit een buitenboordmotor met een vermogen dat de maximale rating op het typeplaatje van de boot overschrijdt. Als de boot geen typeplaatje heeft met het maximale vermogen, raadpleeg dan de bootfabrikant.
- Onjuiste montage van de buitenboordmotor kan leiden tot gevaarlijke situaties. De motor moet worden geïnstalleerd door uw dealer of een ander bekwaam persoon. Als u de motor zelf installeert, moet u dit doen onder begeleiding van een ervaren persoon.
- De informatie in dit hoofdstuk is uitsluitend ter referentie. De juiste montage hangt gedeeltelijk af van ervaring en de specifieke combinatie van boot en motor.
2.1.1 Montagehoogte
De montagehoogte van de buitenboordmotor heeft grote invloed op de vaarefficiëntie van de boot. Als de montagehoogte te hoog is, kan er cavitatie optreden, waardoor de voortstuwing vermindert. Als de montagehoogte te laag is, neemt de waterweerstand toe, wat de motorefficiëntie verlaagt. Monteer de motor zo dat de anticavitatieplaat zich bevindt tussen de bodem van de boot en een niveau van 25 mm daaronder.

LET OP:
De optimale montagehoogte van de buitenboordmotor wordt beïnvloed door de combinatie boot/motor en het gewenste gebruik. Testvaren op verschillende hoogten kan helpen bij het bepalen van de optimale montagehoogte. Raadpleeg uw "PARSUN" dealer of bootfabrikant voor meer informatie.
2.1.2 Bevestiging van de buitenboordmotor
- Draai de beugel gelijkmatig en stevig vast op de spiegel (transom). Controleer de schroeven af en toe op vastzitten tijdens het gebruik van de motor, omdat ze door motortrillingen los kunnen trillen.

LET OP:
Alleen de beugel zijn ONVOLDOENDE om de buitenboordmotor stevig aan de spiegel te bevestigen. Een correcte installatie van de buitenboordmotor vereist dat de motor met bouten door de spiegel aan de boot wordt bevestigd.
WAARSCHUWING:
- Loszittende beugel kunnen ertoe leiden dat de buitenboordmotor van de spiegel valt of verschuift. Dit kan leiden tot verlies van controle over de boot. Zorg ervoor dat de beugel stevig zijn aangedraaid en controleer dit regelmatig tijdens gebruik.
- 2. Als er een bevestigingspunt voor een veiligheidskabel op de motor aanwezig is, moet een veiligheidskabel of -ketting worden gebruikt. Bevestig deze aan een veilig punt op de boot om te voorkomen dat de motor verloren gaat als deze per ongeluk van de spiegel valt.

- Bevestig de beugel aan de spiegel met de juiste bouten. Raadpleeg uw dealer voor details.
WAARSCHUWING:
Vermijd het gebruik van ongeschikte bouten, moeren of ringen. Voer na het aandraaien een testvaart uit en controleer of alles nog goed vastzit.
2.2 Invaren van de motor (inloopprocedure)
Uw nieuwe motor heeft een inloopperiode nodig om de bewegende delen gelijkmatig op elkaar te laten inslijten.
LET OP:
Het niet volgen van de inloopprocedure kan resulteren in een kortere levensduur van de motor of zelfs ernstige motorschade.
- Gedurende het eerste uur van gebruik:
Laat de motor draaien op 2000 r/min of ongeveer half gas.
- Gedurende het tweede uur van gebruik:
Laat de motor draaien op 3000 r/min of ongeveer driekwart gas.
- Gedurende de volgende acht uur van gebruik:
Vermijd continu varen op volgas gedurende meer dan vijf minuten per keer.
- Gebruik de motor daarna normaal.
2.3 Inspecties voor gebruik
Brandstof:
- Controleer of u voldoende brandstof heeft voor de geplande tocht.
- Controleer op brandstoflekkage of benzinedampen.
- Controleer de aansluitingen van de brandstofslang op stevigheid.
- Zorg ervoor dat de brandstoftank op een vlakke, stabiele ondergrond staat en dat de brandstofslang niet is geknikt of bekneld, of in contact komt met scherpe voorwerpen.
Bediening:
- Controleer het gas, de versnelling en de besturing op goede werking voordat u de motor start.
- De bediening moet soepel verlopen, zonder haperingen of ongewone speling.
- Controleer op losse of beschadigde verbindingen.
- Controleer de werking van de start- en stopschakelaars terwijl de buitenboordmotor in het water hangt.
LET OP:
- Start de motor niet buiten het water. Oververhitting en ernstige motorschade kunnen het gevolg zijn.
- Controleer de motor en de montage van de motor.
- Zoek naar losse of beschadigde bevestigingsmiddelen.
- Controleer de schroef op beschadigingen.
Controle van het motoroliepeil:
- Zet de buitenboordmotor in verticale positie (niet getrimd).

- Controleer het oliepeil met de peilstok om er zeker van te zijn dat het peil tussen de bovenste en onderste markeringen staat. Vul olie bij als het onder de onderste markering staat, of tap af tot het gespecificeerde niveau als het boven de bovenste markering staat.


- Peilstok 2 Bovenste markering 3. Onderste markering
LET OP:
Zorg ervoor dat de peilstok weer volledig in de geleider wordt gestoken.
2.4 Brandstof bijvullen
WAARSCHUWING:
- Benzine en benzinedampen zijn licht ontvlambaar en explosief. Blijf uit de buurt van vonken, sigaretten, vlammen of andere ontstekingsbronnen.
- Verwijder de tankdop.
- Vul de brandstoftank voorzichtig bij.
- Draai de dop na het vullen stevig vast. Veeg gemorste brandstof onmiddellijk op.
2.5 Starten van de motor
- Sluit de brandstofslang koppelingen stevig aan nadat de ontluchtingsschroef op de tankdop is losgedraaid (2 of 3 slagen).


- Sluit de brandstofkoppelingen stevig aan en knijp in de handpomp (balg) met het uitlaatuiteinde naar boven totdat u voelt dat deze hard wordt (indien een brandstofkoppeling aanwezig is).


- Zet de schakelhendel in de vrijloopstand (neutraal).


LET OP:
De beveiliging tegen starten in de versnelling voorkomt dat de motor start als deze niet in neutraal staat. Bevestig het koord van de motorstopschakelaar ('mansoverboord-koord') aan een stevige plek van uw kleding, of aan uw arm of been. Plaats vervolgens de clip aan het andere uiteinde van het koord in de noodstopschakelaar.
WAARSCHUWING:
- De motor moet in neutraal worden gestart, anders kan de startmotor beschadigd raken en kunnen er gevaren ontstaan.
- Bevestig de noodstoplijn niet aan kleding die gemakkelijk kan scheuren. Zorg dat de lijn niet ergens verstrikt kan raken, waardoor deze niet kan functioneren.
- Voorkom dat u per ongeluk aan het koord trekt tijdens normaal gebruik. Als de motor onverwacht stopt, verliest u de koerscontrole. Bovendien kan de boot zonder motorvermogen snel vertragen, waardoor personen en voorwerpen in de boot naar voren kunnen worden geworpen.


- Draai de hoofdschakelaar naar "ON" (elektrische start).



LET OP:
Het is niet nodig om de choke te gebruiken bij het starten van een warme motor. Als de choke in de "START"-positie blijft staan terwijl de motor draait, zal de motor slecht lopen of afslaan.
- Draai de hoofdschakelaar naar "START" en houd deze maximaal 5 seconden vast (elektrische start).


- Laat de hoofdschakelaar onmiddellijk los nadat de motor is gestart, zodat deze terugspringt naar "ON".
- Draai de gashendel langzaam terug naar de volledig gesloten stand.
LET OP:
- Als de motor koud is, moet deze worden warmgedraaid.
- Als de motor niet bij de eerste poging start, herhaal dan de procedure. Als de motor na 4 of 5 pogingen nog niet start:
BE-modellen: open het gas een klein beetje (1/8 tot 1/4) en probeer het opnieuw. FE-modellen: trek de vrijloop-gashendel op de afstandsbedieningskast iets omhoog en probeer het opnieuw.
LET OP:
Draai de hoofdschakelaar nooit naar "START" terwijl de motor draait.
Laat de startmotor niet langer dan 5 seconden achter elkaar draaien. Als de startmotor langer dan 5 seconden continu draait, zal de accu snel leeg raken, waardoor de motor niet meer gestart kan worden. Ook kan de startmotor beschadigd raken. Als de motor na 5 seconden niet start, draait u de hoofdschakelaar terug naar "ON", wacht u 10 seconden en probeert u het opnieuw.
2.6 Warmdraaien van de motor
- Nadat de motor is gestart, zet u de schakelhendel in neutraal. Laat de motor gedurende de eerste 3 minuten na het starten warmdraaien op maximaal 1/5 van het gas. Anders wordt de levensduur van de motor verkort.
LET OP:
Als de choke-knop na het starten van de motor uitgetrokken blijft, slaat de motor af.
Bij temperaturen van -5℃ of lager laat u de choke-knop ongeveer 30 seconden volledig uitgetrokken nadat de motor is gestart.
2. Controleer of het waarschuwingslampje voor de motoroliedruk uit is.
WAARSCHUWING:
Als het lampje blijft branden nadat de motor is gestart, zet de motor dan onmiddellijk uit en controleer het oliepeil. Vul olie bij indien nodig. Als het probleem niet kan worden verholpen, raadpleeg dan uw dealer.

- Waarschuwingslampje motoroliedruk
- Controleer of er een constante straal water uit het controlegaatje van het koelsysteem komt.
LET OP:
- Als er geen constant water naar buiten komt terwijl de motor draait, zet de motor dan direct uit en controleer of de koelwateringang in het staartstuk of de controle-uitlaat verstopt is.
- Als het probleem niet kan worden gevonden en verholpen, raadpleeg dan uw dealer.

2.7 Schakelen
WAARSCHUWING:
Controleer voordat u schakelt of er geen zwemmers of obstakels in de buurt van de boot zijn.
LET OP:
Om van vooruit naar achteruit te schakelen of vice versa, moet u eerst het gas dichtdraaien zodat de motor stationair (of op lage snelheid) draait.
2.7.1 Vooruit
- Draai de gashendel naar de volledig gesloten stand.

- Zet de schakelhendel snel en krachtig vanuit de vrijstand in de vooruitstand.
Trek de vrijloop-vergrendeling omhoog en zet de afstandsbedieningshendel snel en krachtig vanuit de vrijstand in de vooruitstand. (Afstandsbediening)


2.7.2 Achteruit
WAARSCHUWING:
- Vaar langzaam in achteruit. Geef niet meer dan half gas. Anders kan de boot onstabiel worden, wat kan leiden tot controleverlies en ongelukken.
- Draai de gashendel naar de volledig gesloten stand.

- Zet de schakelhendel snel en krachtig vanuit de vrijstand in de achteruitstand. Controleer of de tilt-vergrendelingshendel in de vergrendelde stand staat. Trek de vrijloop-vergrendeling omhoog en zet de afstandsbedieningshendel snel en krachtig vanuit de vrijstand in de achteruitstand. (Afstandsbediening)


2.8 Stuurhendel
1. Richting veranderen
Om van richting te veranderen, beweegt u de stuurhendel naar links of rechts zoals gewenst.
FE-model: Draai het stuurwiel naar rechts of links zoals gewenst.

2. Snelheid veranderen
Draai de handgreep tegen de klok in om te versnellen en met de klok mee om te vertragen.
FE-model: Duw de afstandsbedieningshendel naar de volgasstand om te versnellen; trek de afstandsbedieningshendel terug naar de vooruit- of achteruitstand om te vertragen.
3. Gashendel-indicator
De gashendel-indicator bevindt zich op de handgreep van het gas. De brandstofverbruikscurve op de indicator toont de relatieve hoeveelheid brandstof die wordt verbruikt bij elke gasstand. Kies de instelling die de beste prestaties en brandstofbesparing biedt voor de gewenste activiteit.

4. Wrijvingsteller van de gashendel
De gashendel wrijvingsteller bevindt zich op de stuurhendel en dient om de weerstand bij het draaien van de gashendel naar wens aan te passen. Om de weerstand te verhogen, draait u de steller met de klok mee. Om de weerstand te verlagen, draait u de steller tegen de klok in. Als u een constante snelheid wilt aanhouden, kunt u de steller strakker draaien om de gewenste gasstand vast te houden.


WAARSCHUWING:
Draai de wrijvingsteller niet te strak aan. Bij te veel weerstand kan het lastig zijn om de gashendel te bedienen, wat kan leiden tot ongevallen.
2.9 Trimtab (Trimvlak)
De trimtab moet zo worden afgesteld dat het sturen naar links en naar rechts evenveel kracht kost.
WAARSCHUWING:
- Een onjuist afgestelde trimtab kan leiden tot zwaar sturen. Voer altijd een testvaart uit na installatie of vervanging van de trimtab om te controleren of de besturing in orde is.
- Controleer of de bout stevig is aangedraaid.
Als de boot de neiging heeft naar links af te wijken, draait u de trimtab naar de linkerkant (bakboord). Als de boot naar rechts afwijkt, draait u de trimtab naar de rechterkant (stuurboord).
2.10 Stoppen van de motor
LET OP:
Laat de motor voor het uitzetten eerst een paar minuten afkoelen door stationair of op lage snelheid te varen. Het wordt afgeraden om de motor direct na volgas te stoppen.
- Houd de stopknop ingedrukt totdat de motor volledig tot stilstand is gekomen.



LET OP:
Indien de motor is uitgerust met een noodstopkoord, kan de motor ook worden gestopt door aan het koord te trekken en de clip uit de schakelaar te verwijderen.
- Draai de ontluchtingsschroef op de tankdop dicht.

- Koppel de brandstofslang los van de motor als deze is uitgerust met een brandstofkoppeling.


2.11 Trimmen van de buitenboordmotor
Er bevinden zich 4 of 5 gaten in de bracket (beugel) om de trimhoek van de buitenboordmotor aan te passen.
- Stop de motor.
- Verwijder de trimbalk uit de beugel door de buitenboordmotor iets omhoog te tillen.

- Plaats de trimbalk in de gewenste opening. Maak een proefvaart met de trim in verschillende standen om de beste positie voor uw boot en vaaromstandigheden te vinden.
WAARSCHUWING:
- Stop de motor voordat u de trimhoek aanpast.
- Pas op voor beknellingsgevaar bij het verwijderen of plaatsen van de balk.
- Wees voorzichtig bij het uitproberen van een nieuwe trimstand. Verhoog de snelheid geleidelijk en let op eventuele instabiliteit. Een verkeerde trimhoek kan leiden tot verlies van controle over de boot.
Als de motor voor langere tijd niet wordt gebruikt of als de boot in ondiep water ligt afgemeerd, moet de buitenboordmotor omhoog worden geklapt om de schroef en de onderkant van de motor te beschermen tegen schade door obstakels en om corrosie te verminderen.
WAARSCHUWING:
Zorg ervoor dat er niemand in de buurt van de motor is bij het omhoog of omlaag klappen. Pas ook op dat er geen lichaamsdelen bekneld raken tussen de motor en de beugel.
LET OP:
Klap de motor niet omhoog aan de stuurhendel, want die kan dan afbreken. De motor kan niet omhoog worden geklapt terwijl de versnelling in achteruit staat.
2.11.1 Omhoog klappen (Tilt up)
- Zet de schakelhendel in de vrijstand (neutraal).


- Zet de tilt-vergrendelingshendel (indien aanwezig) in de 'up'-stand.

- Pak de achterkant van de bovenkap vast, kantel de motor omhoog, trek de tilt-steunhendel naar u toe en zet de tilt-vergrendelingshendel naar beneden.
Model met Power Tilt:
Druk op de "UP"-knop om de buitenboordmotor in de hoogste stand te zetten en klap daarna de tilt-steunhendel uit.



2.11.2 Omlaag klappen (Tilt down)
- Zet de tilt-vergrendelingshendel (indien aanwezig) in de 'up'-stand.
- Pak de achterkant van de bovenkap vast, kantel de motor iets verder omhoog en ontgrendel de tilt-steunhendel.
- Laat de buitenboordmotor langzaam zakken. Zet de tilt-vergrendelingshendel naar beneden.
Model met Power Tilt:
Klap de tilt-steunhendel in en druk op de "DN"-knop om de buitenboordmotor in de laagste stand te laten zakken.



- Klap de tilt-vergrendelingshendel naar beneden zodra de motor de laagste stand heeft bereikt (voor modellen met handmatige tilt).
WAARSCHUWING:
Zorg ervoor dat het tilt- en trimsysteem vergrendeld is wanneer de motor in gebruik is (bij modellen met handmatige tilt).
2.12 Varen in andere omstandigheden
2.12.1 Varen in ondiep water
De buitenboordmotor kan gedeeltelijk omhoog worden gekanteld voor het varen in ondiep water.
WAARSCHUWING:
- Zet de versnelling altijd in neutraal voordat u in ondiep water gaat varen of de motor kantelt.
- Zet de motor weer in de normale stand zodra de boot weer in dieper water is.
LET OP:
De koelwaterinlaat in het staartstuk mag tijdens varen in ondiep water niet boven water komen. Dit kan leiden tot oververhitting en ernstige motorschade. Zie hoofdstuk 2.11 voor de kantelprocedure.
2.12.2 Varen in zout water
Na gebruik in zout water moeten de koelwaterkanalen met zoet water worden gespoeld om verstopping door zoutafzetting te voorkomen.
3. Onderhoud
Bij gebruik van de buitenboordmotor is regelmatig onderhoud noodzakelijk om de prestaties te garanderen.
WAARSCHUWING:
- Zorg ervoor dat de motor uitstaat tijdens het onderhoud, tenzij anders aangegeven.
- Als de gebruiker of eigenaar niet bekend is met mechanisch onderhoud, moet dit worden uitgevoerd door de dealer of een andere gekwalificeerde monteur.
LET OP:
Gebruik bij vervanging van onderdelen uitsluitend originele onderdelen of onderdelen van hetzelfde type, dezelfde sterkte en hetzelfde materiaal.
3.1 Smeren

3.2 Reinigen en afstellen van de bougies
Het wordt aanbevolen om de bougie periodiek te verwijderen en te inspecteren, aangezien hitte en afzettingen de bougie langzaam doen degraderen en eroderen. Indien nodig, vervang de bougie door het juiste type.
Zorg dat u voor het monteren van de bougie de elektrodenafstand meet met een voelmaat; pas de afstand indien nodig aan volgens de specificatie.

Reinig bij het monteren van de bougie altijd het pasvlak van de pakking en gebruik een nieuwe pakking. Verwijder vuil van de schroefdraad en draai de bougie vast met het voorgeschreven koppel.
3.3 Controle van het brandstofsysteem
- Controleer de brandstofslangen op lekkage, scheuren of slechte werking. Als een probleem wordt geconstateerd, moet dit onmiddellijk worden verholpen door uw dealer of een andere gekwalificeerde monteur.


WAARSCHUWING:
- Controleer regelmatig op brandstoflekkages.
- Als er een lekkage wordt gevonden, moet het systeem door een gekwalificeerde monteur worden gerepareerd.
- Controleer het brandstoffilter regelmatig. Indien er vuil in het filter aanwezig is, maak dit dan schoon.

3.3.1 Reinigen van het brandstoffilter
- Verwijder de moer die het brandstoffilter vasthoudt, indien aanwezig.

- Schroef de filterbeker los en vang eventueel gemorste brandstof op met een doek.
- Verwijder het filterelement en reinig dit met oplosmiddel. Laat het drogen. Controleer het filterelement en de O-ring van de filterbeker op beschadigingen. Vervang indien nodig. Als er water in de brandstof wordt aangetroffen, moeten draagbare tanks worden gecontroleerd en gereinigd.

- Filterbeker 2. O-ring 3. Filterelement 4. Filterbehuizing 5. Filterzitting
- Plaats het filterelement terug in de beker. Zorg dat de O-ring op zijn plek zit. Schroef de beker stevig op de filterbehuizing.
- Bevestig het filter weer aan de beugel zodat de brandstofslangen aangesloten kunnen worden. Start de motor en controleer op lekkages bij het filter en de slangen.
3.4 Inspectie van het stationair toerental
Hiervoor moet een diagnosetester/toerenteller worden gebruikt. De resultaten kunnen variëren afhankelijk van of de test wordt uitgevoerd met een spoelinrichting, in een testtank of met de motor in het water.
- Start de motor en laat deze volledig warmdraaien in neutraal totdat deze soepel loopt.
- Controleer of het stationair toerental binnen de specificaties valt.
Stationair toerental: 800 ± 50 rpm
LET OP:
Een correcte inspectie van het stationair toerental is alleen mogelijk als de motor volledig warm is. Als de motor niet volledig warm is, zal het gemeten toerental hoger zijn dan normaal. Raadpleeg uw dealer of een andere gekwalificeerde monteur bij problemen met dit onderzoek of als de afstelling moet worden aangepast.
3.5 Verversen van de motorolie
WAARSCHUWING:
- Tap de motorolie niet direct na het uitschakelen van de motor af. De olie is heet en moet voorzichtig worden behandeld om brandwonden te voorkomen.
- Zorg dat de buitenboordmotor stevig aan de spiegel of een stabiele steun is bevestigd.
LET OP:
Ververs de motorolie na de eerste 10 bedrijfsuren en daarna om de 100 uur of elke 6 maanden. Anders zal de motor sneller slijten. Ververs de olie terwijl deze nog warm is.
- Zet de buitenboordmotor in verticale positie (niet getrimd).

- Houd een bak klaar met meer capaciteit dan de motorolietank. Draai de olieaftapschroef los terwijl u de bak eronder houdt. Verwijder daarna de olievuldop. Laat de olie volledig weglopen. Veeg gemorste olie direct op.


- Gebruik een nieuwe pakking bij de olieaftapschroef. Draai de aftapschroef vast.
- Vul de juiste hoeveelheid verse olie bij via de vulopening. Plaats de vuldop terug.
- Start de motor en controleer op olielekkages.
- Stop de motor en wacht 3 minuten. Controleer het oliepeil opnieuw met de peilstok zodat het tussen de bovenste en onderste markering staat.
LET OP:
De olie moet vaker worden ververst als de motor onder zware omstandigheden wordt gebruikt, zoals langdurig trollen.
3.6 Inspectie van bedrading en connectoren
Controleer of alle aardingsdraden goed vastzitten en of alle connectoren stevig zijn aangesloten.
3.7 Controle op lekkages
Controleer op uitlaat- of waterlekkage bij de overgangen tussen uitlaatkap, cilinder en cilinder. Controleer eveneens op olielekkage rondom de motor.
LET OP:
Raadpleeg uw dealer indien u lekkages vindt.
3.8 Infectie van de schroef (propeller)
WAARSCHUWING:
- tref altijd maatregelen om te voorkomen dat de motor per ongeluk start voordat u de schroef inspecteert, verwijdert of installeert (bougiedoppen verwijderen, versnelling in neutraal, noodstopkoord verwijderen, etc.). Er kan een ernstig ongeluk gebeuren als de motor start terwijl u bij de schroef bent.
- Houd de schroef niet met uw hand vast bij het los- of vastdraaien van de schroefmoer. Plaats een blok hout tussen de anticavitatieplaat en de schroef om draaien te voorkomen.


- Controleer elk schroefblad op slijtage, cavitatie-erosie of andere schade.
- Controleer of de schroefas beschadigd is.
- Controleer de breekpen (spline) op slijtage of beschadiging.
- Controleer of er vislijn om de schroefas gewikkeld zit.
- Controleer of de oliekeerring van de schroefas beschadigd is.
3.8.1 Demontage van de schroef
- Buig de splitpen recht en trek deze eruit met een tang.
- Verwijder de schroefmoer, ring en opvulring (indien aanwezig).
- Verwijder de schroef en de drukplaat (thrust washer).

- Splitpen 2. Moer 3. Ring 4. Schroef 5. Drukplaat
3.8.2 Installatie van de schroef
LET OP:
Zorg ervoor dat de drukplaat geplaatst is voordat de schroef wordt gemonteerd, anders kunnen het staartstuk en de schroefnaaf beschadigd raken.
Gebruik altijd een nieuwe splitpen en buig de uiteinden goed om. Anders kan de schroef tijdens het varen loskomen en verloren gaan.
- Smeer de schroefas in met watervast vet.
- Plaats de opvulring (indien aanwezig), de drukplaat en de schroef op de as.
- Plaats de opvulring (indien aanwezig) en de ring.
- Draai de schroefmoer vast. Lijn de moer uit met het gat in de schroefas. Steek een nieuwe splitpen door het gat en buig de uiteinden om.
3.9 Verversen van de staartolie (tandwielkastolie)
WAARSCHUWING:
- Zorg dat de buitenboordmotor stevig aan de spiegel of een stabiele steun is bevestigd.
- Ga nooit onder het staartstuk staan als de motor is opgetilt, ook niet als de tilt-steunhendel vergrendeld is. Er kan ernstig letsel ontstaan als de motor onverwacht naar beneden valt.
- Kantel de motor zo dat de olieaftapschroef in het laagste punt staat.
- Plaats een opvangbak onder het staartstuk.
- Verwijder de olieaftapschroef van het staartstuk.

- Olieaftapschroef 2. Olieniveauscherm (oil level plug)
- Verwijder de olieniveauschroef om de olie volledig te laten weglopen.
LET OP:
Ververs de staartolie na de eerste 10 bedrijfsuren en daarna om de 100 uur of elke 6 maanden. Anders zullen de tandwielen sneller slijten.
Inspecteer de oude olie. Melkachtige olie duidt op water in de tandwielkast, wat tot schade kan leiden. Raadpleeg in dat geval uw dealer.
- Spuit verse staartolie via het onderste gat naar binnen (430 cm3).
- Wanneer de olie uit het bovenste gat (niveaugat) komt, plaatst u de niveauschroef terug en draait u deze vast (vervang indien nodig de pakking).
- Plaats de olieaftapschroef terug en draai deze vast (vervang indien nodig de pakking).
3.10 Reinigen van de brandstoftank
WAARSCHUWING:
- Houd vonken, sigaretten en vlammen uit de buurt tijdens het reinigen van de brandstoftank.
- Reinig de tank in een goed geventileerde buitenruimte.
- Giet de inhoud van de tank in een goedgekeurde jerrycan.
- Giet een kleine hoeveelheid geschikt oplosmiddel in de tank. Draai de dop erop en schud de tank. Giet het oplosmiddel er volledig uit.
- Verwijder de brandstofkoppeling-unit uit de tank.
- Reinig het filter in een geschikt reinigingsmiddel en laat het drogen.
- Vervang de pakking door een nieuwe. Plaats de brandstofkoppeling-unit terug en draai de schroeven stevig vast.
3.11 Controle en vervanging van de anode(s)
Inspecteer de externe anodes regelmatig. Verwijder aanslag op het oppervlak van de anodes. Raadpleeg uw dealer voor vervanging van de externe anodes.
LET OP:
Verf de anodes niet! Dit maakt ze onwerkzaam en leidt tot versnelde corrosie van de motor.

3.12 Inspectie van de bovenkap
Controleer de bevestiging van de bovenkap door er met beide handen op te duwen. Als deze loszit, laat dit dan verhelpen door uw dealer.

3.13 Onderhoudsschema
Bij gebruik onder normale omstandigheden en bij juist onderhoud kan de motor de normale levensduur behalen. De normale levensduur van de motor bedraagt 350 uur of 10 jaar, afhankelijk van wat het eerst komt.
De frequentie van het onderhoud kan worden aangepast aan de bedrijfsomstandigheden, maar de volgende tabel biedt algemene richtlijnen.
Het symbool "•" geeft de inspecties aan die u zelf kunt uitvoeren.
Het symbool "O" geeft de werkzaamheden aan die door uw dealer moeten worden uitgevoerd.
| Eerste | Elke | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Anode(s) (extern) | Controle/Vervanging | •/0 | •/0 | ||
| Anode(s) (intern) | Controle/Vervanging | 0 | |||
| Koelwaterkanalen | Reinigen | • | • | ||
| Kapvergrendeling | Controle | • | |||
| Brandstoffilter | Controle/Reinigen | • | • | • | |
| Brandstofsysteem | Controle | • | • | • | |
| Brandstoftank | Controle/Reinigen | • | |||
| Staartolie | Verversen | • | • | ||
| Smeerpunten | Smeren | • | |||
| Stationair toerental | Controle/Afstelling | •/0 | •/0 | ||
| Schroef/splitpen | Controle/Vervanging | • | • |
| Schakelas / schakelkabel | Controle/Afstelling | | | | ○ | | Thermostaat | Controle | | | | ○ | | Gasstangen / gaskabel / ontsteking | Controle/Afstelling | | | | ○ | | Waterpomp | Controle | | | | ○ | | Motorolie | Controle/Verversen | ● | | ● | | | Oliefilter | Vervanging | | | | ○ | | Bougies | Reinigen/Afstellen/Vervanging | ● | | | ● | | Distributieriem | Controle/Vervanging | | | ○ | ○ | | Klep | Controle/Afstelling | ○ | | ○ | |
LET OP:
Bij gebruik in zout, troebel of modderig water moet de motor na elk gebruik met schoon water worden doorgespoeld.
4. Transport en opslag
4.1 Transport
De buitenboordmotor moet op een trailer worden getransporteerd in de normale stand. Als er onvoldoende bodemspeling is, transporteer de motor dan in getrimde stand met behulp van een steunbeugel ('transom saver').
LET OP:
Vertrouw tijdens wegentransport niet uitsluitend op de tilt-steunhendel van de motor. De motor kan door schokken loskomen en schade veroorzaken.
WAARSCHUWING:
- Sta nooit onder het staartstuk als de motor is opgetilt, ook niet als er een steunbalk wordt gebruikt.
- Houd de motor in de afgebeelde positie als u deze los van de boot vervoert of bewaart.


LET OP:
Leg een doek of iets dergelijks onder de motor om beschadigingen aan de lak te voorkomen.
Leg de motor nooit op zijn kant voordat de motorolie volledig is afgetapt. De olie kan in de cilinder lopen en ernstige schade veroorzaken.
4.2 Opslag (winterstalling)
Wanneer de motor voor langere tijd (2 maanden of meer) wordt opgeslagen, zijn er enkele belangrijke procedures die moeten worden uitgevoerd om schade te voorkomen.
Het wordt aanbevolen om de motor door een erkende dealer winterklaar te laten maken. U kunt de volgende zaken echter ook zelf uitvoeren met basisgereedschap.
LET OP:
Houd de buitenboordmotor rechtop tijdens transport en opslag. Indien de motor toch op zijn kant moet liggen, gebruik dan een mat onder de motor nadat ALLE motorolie is afgetapt.
Leg de motor niet op zijn kant voordat het koelwater volledig is weggelopen.
Sla de motor op op een droge, goed geventileerde plaats buiten direct zonlicht.
- Was de buitenkant van de motor met zoet water.
- Koppel de brandstofslang los en draai de ontluchtingsschroef dicht.
- Verwijder de bovenkap en het deksel van de luchtinlaat.
- Plaats de motor in een testtank.
- Vul de tank met zoet water tot boven de anticavitatieplaat.
- Start de motor. Spoel het koelsysteem door. Voer tegelijkertijd het zogenaamde "fogging" uit (conserveren van de binnenzijde), aangezien dit noodzakelijk is om roestvorming in de motor te voorkomen.
- Minimaal waterniveau
- Wateroppervlak

LET OP:
Als het waterniveau onder de anticavitatieplaat zakt of de watertoevoer onvoldoende is, kan de motor vastlopen.
WAARSCHUWING:
- Raak geen elektrische delen aan tijdens het starten of draaien van de motor.
- Houd handen, haar en kleding uit de buurt van het vliegwiel en andere draaiende delen.
- Laat de motor een paar minuten op een verhoogd stationair toerental in neutraal draaien.
- Spuit voor het stoppen van de motor conserveringsolie ("fogging oil") in de luchtinlaat of het conserveringsgat.
- Indien geen conserveringsolie beschikbaar is, laat de motor dan net boven stationair draaien tot de brandstof in het systeem op is en de motor afslaat. Verwijder de bougies en giet een theelepel schone motorolie in elke cilinder. Draai het vliegwiel handmatig enkele malen rond en plaats de bougies terug.
- Tap de resterende brandstof uit de tank en laat al het koelwater uit de motor lopen. Reinig de
buitenkant.
LET OP:
Sla de brandstoftank op op een droge, goed geventileerde plaats buiten direct zonlicht.
4.3 Spoelinrichting
Voer deze procedure direct na gebruik uit voor een grondige spoeling.
LET OP:
Voer dit niet uit terwijl de motor draait. De waterpomp kan beschadigd raken door oververhitting, wat tot ernstige motorschade kan leiden.
- Verwijder na het stoppen van de motor de dop van de spoelaansluiting op de motor.

- Dop spoelaansluiting; 2. Slangaansluiting
- Sluit een tuinslang met schoon zoet water aan op de spoelaansluiting en zet de kraan open.
- Laat het zoet water ongeveer 15 minuten door de koelkanalen stromen. Draai de kraan dicht en verwijder de slang.
- Plaats de dop weer terug op de spoelaansluiting en draai deze stevig vast.
WAARSCHUWING:
Laat de dop van de spoelaansluiting nooit loszitten tijdens normaal gebruik. Er zal water uit de aansluiting lekken in plaats van de motor te koelen, wat leidt tot ernstige oververhitting. Zorg dat de dop na het spoelen altijd stevig is aangedraaid.
5. Handelen bij noodgevallen
5.1 Impactschade
Indien de buitenboordmotor een object in het water raakt, volgt u deze procedure:
- Zet de motor onmiddellijk uit.
- Inspecteer de besturing en alle onderdelen op schade.
- Ongeacht de schade, vaar langzaam en voorzichtig terug naar de dichtstbijzijnde haven.
- Laat de motor door een dealer inspecteren voordat u weer gaat varen.
5.2 Elektrische trim- en tiltsysteem werkt niet
Als de motor niet elektrisch omhoog of omlaag kan worden getilt door een lege accu of een defect in de unit, kan de motor handmatig worden bewogen.
- Draai de handmatige ontlastklep (schroef) rechtsom tot aan de aanslag.
- Zet de motor in de gewenste stand en draai de schroef weer linksom vast.

- Handmatige ontlastklep (schroef)
5.3 Startmotor werkt niet
Als de elektrische startmotor niet werkt, kan de motor met een noodstarttouw worden gestart.
WAARSCHUWING:
- Gebruik deze procedure alleen in noodgevallen en alleen om de haven te bereiken voor reparatie.
- Bij gebruik van het noodstarttouw werkt de beveiliging tegen starten in de versnelling niet. Zorg dat de motor in neutraal staat.
- Zorg dat er niemand direct achter u staat bij het trekken aan het starttouw.
- Plaats het startmechanisme of de bovenkap niet terug terwijl de motor draait. Houd kleding en voorwerpen uit de buurt. Raak het vliegwiel of andere bewegende delen niet aan.
- Raak de bobine, bougiekabels of andere elektrische delen niet aan tijdens het starten of draaien van de motor.
De procedure is als volgt:
- Verwijder de bovenkap.
- Ontkoppel de beveiligingskabel voor starten in de versnelling en de chokekabel.

- Kabel voor beveiliging tegen starten in versnelling
- Verwijder de afdekkap van het vliegwiel door de drie bouten los te draaien. Ontkoppel de bedrading van het waarschuwingslampje.

- Bereid de motor voor op het starten zoals beschreven in hoofdstuk 2.5.
- Plaats het geknoopte uiteinde van het noodstarttouw in de uitsparing van de vliegwielschijf en wikkel het touw enkele malen met de klok mee om het vliegwiel.
- Trek langzaam aan het touw tot u weerstand voelt.

- Trek krachtig en in één beweging aan het touw om de motor te starten. Herhaal indien nodig.
5.4 Zekering vervangen
Als de zekering is doorgebrand, vervang deze dan door een reservezekering met het juiste ampèrage uit de meegeleverde accessoires.
WAARSCHUWING:
Gebruik altijd de juiste zekering. Een verkeerde zekering kan ernstige schade aan het elektrische systeem of zelfs brand veroorzaken.
LET OP:
Indien de nieuwe zekering ook direct weer doorbrandt, raadpleeg dan uw dealer.
5.5 Behandeling van een ondergelopen motor
Indien de motor onder water is geweest, breng deze dan direct naar een dealer. Corrosie begint bijna onmiddellijk.
- Spoel vuil en modder grondig weg met zoet water.
- Verwijder de bougie(s) en houd de motor zo dat het water uit de cilinder kan lopen.
- Tap de brandstof uit de carburateur, het filter en de slangen af. Tap alle motorolie af.
- Vul het carter met nieuwe motorolie.
- Spuit conserveringsolie of motorolie in de luchtinlaat en bougiegaten terwijl u de motor handmatig ronddraait.
- Breng de buitenboordmotor zo snel mogelijk naar een PARSUN dealer.
LET OP:
Probeer de motor niet te starten voordat deze volledig is nagekeken door een vakman.
6. Probleemoplossing
| Probleem | Waarschijnlijke oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Startmotor draait niet | Defecte onderdelen startmotor | Dealer raadplegen |
| Startmotor draait niet | Versnelling niet in neutraal | In neutraal zetten |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Brandstoftank leeg | Tank vullen met verse brandstof |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Verontreinigde of oude brandstof | Tank vullen met verse brandstof |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Brandstoffilter verstopt | Reinigen of vervangen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Brandstofpomp defect | Dealer raadplegen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Bougie(s) vervuild of verkeerde type | Bougies controleren, reinigen of vervangen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Bougiedop(pen) niet goed bevestigd | Controleren en stevig aandrukken |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Ontstekingsbedrading los of beschadigd | Controleren op breuk, vastzetten of vervangen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Ontsteking defect | Dealer raadplegen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Noodstopclip niet geplaatst | Clip plaatsen |
| Motor start niet (startmotor draait wel) | Interne motorschade | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Bougie(s) vervuild of verkeerde type | Bougies controleren, reinigen of vervangen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Brandstoftoevoer geblokkeerd | Slangen controleren op knikken of verstopping |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Verontreinigde of oude brandstof | Tank vullen met verse brandstof |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Brandstoffilter verstopt | Reinigen of vervangen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Elektrodenafstand bougie onjuist | Controleren en afstellen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Ontstekingsbedrading los of beschadigd | Controleren op breuk, vastzetten of vervangen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Verkeerde motorolie | Olie controleren en vervangen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Thermostaat defect of verstopt | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Carburateur verkeerd afgesteld | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Carburateur verstopt | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Brandstofpomp beschadigd | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Ontluchtingsschroef tank dicht | Openen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Brandstofkoppeling niet goed vast | Goed aansluiten |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Gasklepafstelling onjuist | Dealer raadplegen |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Choke uitgetrokken | Indrukken naar normale stand |
| Motor draait onregelmatig of slaat af | Trimhoek motor te hoog | Terug naar normale stand |
| Vermogensverlies | Schroef beschadigd | Schroef repareren of vervangen |
| Vermogensverlies | Verkeerde trimhoek | Aanpassen voor efficiënte vaart |
| Vermogensverlies | Verkeerde montagehoogte spiegel | Aanpassen naar juiste hoogte |
| Vermogensverlies | Bodem van de boot vervuild | Bodem reinigen |
| Vermogensverlies | Wier of objecten om het staartstuk | Verwijderen en schoonmaken |
| Vermogensverlies | Bougie(s) vervuild of verkeerde type | Bougies controleren, reinigen of vervangen |
| Vermogensverlies | Brandstoftoevoer geblokkeerd | Slangen controleren op knikken of verstopping |
| Vermogensverlies | Brandstoffilter verstopt | Reinigen of vervangen |
| Vermogensverlies | Verontreinigde of oude brandstof | Tank vullen met verse brandstof |
| Vermogensverlies | Elektrodenafstand bougie onjuist | Controleren en afstellen |
| Vermogensverlies | Ontstekingsbedrading los of beschadigd | Controleren op breuk, vastzetten of vervangen |
| Vermogensverlies | Ontsteking defect | Dealer raadplegen |
| Vermogensverlies | Verkeerde motorolie | Olie controleren en vervangen |
| Vermogensverlies | Thermostaat defect of verstopt | Dealer raadplegen |
| Vermogensverlies | Ontluchtingsschroef tank dicht | Openen |
| Vermogensverlies | Brandstofpomp defect | Dealer raadplegen |
| Vermogensverlies | Brandstofkoppeling niet goed vast | Goed aansluiten |
| Vermogensverlies | Verkeerde bougies | Vervangen door voorgeschreven type |
| Motor trilt overmatig | Schroef beschadigd | Schroef repareren of vervangen |
| Motor trilt overmatig | Schroefas beschadigd | Dealer raadplegen |
| Motor trilt overmatig | Wier of objecten om de schroef | Verwijderen en schoonmaken |
| Motor trilt overmatig | Bevestigingsbouten motor los | Vastdraaien |
| Motor trilt overmatig | Stuuras los | Vastdraaien |
| Motor trilt overmatig | Stuuras beschadigd | Dealer raadplegen |
7. Elektrisch schema
BE Model

FE Model

Afstandsbedieningskast (Control box)
