GEBRUIKERSHANDLEIDING BUITENBOORDMOTOR

F15A BM/BW/FW F20A BM/BW/FW F15AEFI BM/BW/FW F20AEFI BM/BW/FW

Inhoudsopgave

1. Hoofdcomponenten en algemene informatie

1.1 Hoofdcomponenten

Overzicht van de hoofdcomponenten van de F15A F20A buitenboordmotor

Hoofdcomponenten buitenboordmotor, vooraanzicht

Hoofdcomponenten buitenboordmotor, zijaanzicht

Hoofdcomponenten buitenboordmotor, achteraanzicht

  1. Bovenkap (Motorkap)
  2. Vergrendelingshendel bovenkap
  3. Motorolie aftapplug
  4. Anticavitatieplaat
  5. Schroef (Propeller)
  6. Koelwateringang
  7. Trimpen
  8. Spiegelsteun (Bracket)
  9. Stuurhendel / Helmstok
  10. Starthandgreep
  11. Waarschuwingslampje
  12. Schakelhendel
  13. Stopknop motor
  14. Gashendel frictiebout
  15. Gasgreep
  16. Knevelbout
  17. Brandstofconnector
  18. Brandstoftank
  19. Afstandsbedieningskast

De draagbare brandstoftank bevat:

Draagbare brandstoftank, vooraanzicht

Draagbare brandstoftank, achteraanzicht met meter

    1. Tankdop 3. Ontluchtingsschroef
    1. Brandstofconnector 4. Brandstofmeter

WAARSCHUWING:

De brandstoftank die bij deze motor wordt geleverd, mag alleen worden gebruikt voor de brandstoftoevoer naar de motor tijdens gebruik en mag niet worden gebruikt als opslagtank voor brandstof.

Afstandsbediening

De afstandsbedieningskast bedient zowel het schakelen als het gas geven. Elektrische schakelaars zijn in de afstandsbediening geïntegreerd.

    1. Bedieningshendel
    1. Vrijloopvergrendeling
    1. Hendel voor verhoogd stationair toerental
    1. Contactslot / Choke
    1. Noodstopschakelaar (Dodemanskoord)
    1. Gashendel frictie-instelling

Afstandsbedieningskast met schakelaars en hendels

Bedieningshendel

Door de hendel vanuit de vrijstand naar voren te duwen, wordt de vooruitversnelling ingeschakeld. Door de hendel vanuit de vrijstand naar achteren te trekken, wordt de achteruitversnelling ingeschakeld. De motor blijft stationair draaien totdat de hendel ongeveer 35º wordt verplaatst (er is een "klik" voelbaar). Verder verplaatsen van de hendel opent het gas en de motor begint te versnellen.

    1. Vrijstand "N"
    1. Vooruit "F"
    1. Achteruit "R"
    1. Versnellingskeuze
    1. Volledig gesloten
    1. Gasgeven
    1. Volledig open

Diagram van de standen van de bedieningshendel

Vrijloopvergrendeling

Om vanuit de vrijstand een versnelling te kiezen, moet eerst de vrijloopvergrendeling omhoog worden getrokken.

Positie van de vrijloopvergrendeling op de afstandsbediening

  1. Vrijloopvergrendeling

Hendel voor verhoogd stationair toerental

Om het gas te openen zonder de vooruit of achteruit in te schakelen, zet u de bedieningshendel in de vrijstand en tilt u de hendel voor verhoogd stationair toerental op.

OPMERKING:

De hendel voor verhoogd stationair toerental werkt alleen als de bedieningshendel in de vrijstand staat. De bedieningshendel werkt alleen als de hendel voor verhoogd stationair toerental in de gesloten stand staat.

    1. Volledig open
    1. Volledig gesloten

Hendel voor verhoogd stationair toerental in open en gesloten stand

1.2 Algemene informatie

1.2.1 Specificaties

Belangrijkste specificaties:

Algemene specificaties
ItemInformatieItemInformatie
Motortype2 cilinders, 4-taktGewicht (BML/BWL/FWL)53,7 kg / 55,7 kg / 54,7 kg
Cilinderinhoud362 cm³Aanbevolen brandstofLoodvrije benzine 95 oct.
Boring x Slag63 mm x 58,1 mmTankinhoud24 L
OverbrengingsverhoudingCarburateur2,08 (27/13)MotorolieCA F4014/20 of CA F4014/40
EFI1,85 (24/13)MotorolieSAE 10W30 of SAE 10W40
Totale lengte (B/FW)988 mm / 665 mmOliecapaciteit1,6 L
Totale breedte (B/FW)420 mm / 430 mmStaartolieHypoid SAE # 90
Totale hoogte (S)1070 mmStaartolie capaciteit250 cm³
Totale hoogte (L)1197 mmBougieDPR7EA-9
Gewicht (BMS/BWS/FWS)51,7 kg / 53,7 kg / 52,7 kgElektrodeafstand0,8~0,9 mm

Prestaties:

ItemInformatieItemInformatie
Maximaal vermogen14,7 Kw/5500rpm(20pk)Aanhaal-Bougie18,0 Nm
Maximaal vermogen11 Kw/5000rpm(15pk)momentenSchroefmoer17,0 Nm
Toerenbereik5000~6000 rpmOlieaftapplug28,0 Nm
Stationair toerental (N)1050±50 rpmOliefilter18,0 Nm
Klepspeling IN (koud)0,15~0,25 mm
Klepspeling UIT (koud)0,25~0,35 mm

1.2.2 Brandstofinstructies

Brandstofinstructies

Aanbevolen benzine:

Loodvrije normale benzine (95 octaan). Indien niet beschikbaar, gebruik Premium benzine (98 octaan).

Als u geklop (pingelen) hoort, verander dan van merk of gebruik Premium. Als u regelmatig loodhoudende benzine gebruikt, moeten de kleppen en gerelateerde componenten elke 100 bedrijfsuren worden geïnspecteerd.

WAARSCHUWING:

  • Rook niet tijdens het tanken en blijf uit de buurt van vonken, vlammen of andere ontstekingsbronnen.
  • Zet de motor uit voordat u gaat tanken.
  • Vul de tank in een goed geventileerde ruimte. Vul draagbare tanks buiten de boot.
  • Vul de tank niet te vol.
  • Voorkom morsen van benzine. Als er benzine wordt gemorst, veeg dit dan onmiddellijk op.
  • Draai de tankdop stevig vast na het tanken.
  • Bij inslikken van benzine, overmatige inademing van dampen of contact met de ogen, onmiddellijk een arts raadplegen.
  • Als benzine in contact komt met de huid, onmiddellijk wassen met water en zeep. Verander van kleding als er benzine op is gemorst.
  • Zorg dat het vulpistool contact maakt met metalen voorwerpen om vonken door statische elektriciteit te voorkomen.

WAARSCHUWING:

Gebruik alleen verse, schone benzine die in schone containers wordt bewaard, vrij van water of onzuiverheden.

Motorolie:

Aanbevolen motorolie: 4-takt buitenboordmotorolie SAE10W30 en SAE10W40 (1,6 L).

WAARSCHUWING:

  • Start de motor niet als er geen of te weinig olie in zit. Dit kan ernstige schade veroorzaken.
  • Controleer altijd het olieniveau voordat u de motor start.

LET OP:

Alle 4-takt motoren worden af fabriek zonder motorolie geleverd.

1.2.3 Selectie van de schroef

De prestaties van uw buitenboordmotor worden sterk beïnvloed door de keuze van de schroef. Een verkeerde keuze kan de prestaties negatief beïnvloeden. De motor is uitgerust met schroeven die geselecteerd zijn om goed te presteren in diverse toepassingen, maar in sommige gevallen kan een schroef met een andere spoed geschikter zijn. Dealers hebben diverse schroeven op voorraad en kunnen u adviseren en de schroef installeren die het beste bij uw gebruik past.

Voor een zwaar beladen boot en een lager motortoerental is een schroef met een kleinere spoed beter. Voor lichte belastingen is een schroef met een grotere spoed beter om het juiste motortoerental te behouden.

2. Bediening

2.1 Installatie

Monteer de buitenboordmotor op de middellijn van de boot (kiellijn). Raadpleeg uw dealer als de boot geen kiel heeft of asymmetrisch is.

Buitenboordmotor gemonteerd op de middellijn van de boot

  1. Middellijn (kiellijn)

OPMERKING:

Controleer het drijfvermogen van de boot in stilstand met de maximale lading in het water. Zorg ervoor dat het statische waterniveau bij de uitlaat laag genoeg is om te voorkomen dat er door golven water in de motor komt wanneer de motor niet draait.

WAARSCHUWING:

  • Een boot met teveel vermogen kan gevaarlijke instabiliteit veroorzaken. Installeer geen motor waarvan het vermogen het maximale vermogen overschrijdt dat op het typeplaatje van de boot staat vermeld. Neem contact op met de botenbouwer als het plaatje ontbreekt.
  • Onjuiste installatie van de buitenboordmotor kan leiden tot gevaarlijke situaties. Uw dealer of een andere ervaren monteur moet de installatie uitvoeren. Als u de motor zelf installeert, vraag dan advies aan een ervaren persoon.

De informatie in dit gedeelte is uitsluitend ter referentie bedoeld. De juiste installatie hangt mede af van de ervaring en de specifieke boot-motorcombinatie.

2.1.1 Montagehoogte

De montagehoogte van de motor heeft een grote invloed op de prestaties. Als de montagehoogte te hoog is, treedt cavitatie op, wat de voortstuwing vermindert. Als de montagehoogte te laag is, neemt de waterweerstand toe en nemen de motorprestaties af. Monteer de buitenboordmotor zo dat de anticavitatieplaat gelijk ligt met de bodem van de boot of tot 25 mm daaronder.

Diagram van de montagehoogte en de positie van de anticavitatieplaat

OPMERKING:

De optimale montagehoogte hangt af van de boot-motorcombinatie en het beoogde gebruik. Tests op verschillende hoogtes helpen de optimale hoogte te bepalen. Neem contact op met uw "PARSUN" dealer of de botenbouwer voor meer informatie.

2.1.2 Bevestigen van de buitenboordmotor

  1. Draai de knevelbouten gelijkmatig en stevig vast. Controleer tijdens gebruik regelmatig of de bouten vastzitten, aangezien ze door trillingen los kunnen trillen.

Vastdraaien van de knevelbouten

LET OP:

Het gebruik van alleen de knevelbouten is NIET VOLDOENDE om de motor veilig aan de spiegel te bevestigen. Een juiste installatie vereist dat de motor aan de boot wordt bevestigd met bouten door de spiegel.

WAARSCHUWING:

Losse knevelbouten kunnen ertoe leiden dat de motor van de boot valt of verschuift, wat verlies van controle veroorzaakt. Zorg ervoor dat de bouten goed vastzitten en controleer ze regelmatig.

  1. Als de motor een bevestigingspunt voor een beveiligingskabel heeft, moet deze of een ketting worden gebruikt. Bevestig deze aan een veilig punt op de boot om verlies van de motor te voorkomen als deze onbedoeld losraakt.

Bevestigingspunt voor beveiligingskabel op de steun

  1. Bevestig de steun aan de spiegel met geschikte bouten. Neem contact op met uw dealer voor details.

WAARSCHUWING:

Vermijd het gebruik van ongeschikte bouten, moeren of ringen. Controleer na de installatie en na een proefvaart of alles nog goed vastzit.

2.2 Invaren van de motor

Uw nieuwe motor heeft een inloopperiode nodig zodat de oppervlakken van de bewegende delen gelijkmatig op elkaar kunnen inspelen.

LET OP:

Het niet volgen van de inloopinstructies kan de levensduur van de motor verkorten of ernstige schade veroorzaken.

  1. Tijdens het eerste uur van gebruik:

Laat de motor draaien op 2000 tpm of ongeveer halfgas.

  1. Tijdens het tweede uur van gebruik:

Laat de motor draaien op 3000 tpm of ongeveer 3/4 gas.

  1. Tijdens de volgende acht uur van gebruik:

Vermijd continu varen op volgas gedurende meer dan vijf opeenvolgende minuten.

  1. Gebruik de motor daarna normaal.

2.3 Controles voor het starten

Brandstof

  • · Controleer of er voldoende brandstof is voor de tocht.
  • · Zorg ervoor dat er geen brandstoflekkages of benzinedampen zijn.
  • · Controleer of de brandstofslangaansluitingen goed vastzitten.
  • · Zorg ervoor dat de tank op een vlakke ondergrond staat en dat de slang niet geknikt, bekneld of blootgesteld is aan scherpe voorwerpen.

Bediening

  • · Controleer de werking van het gas, het schakelen en het sturen voordat u start.
  • · De bediening moet soepel werken, zonder haperingen of overmatige speling.
  • · Controleer op losse of beschadigde verbindingen.
  • · Controleer de werking van de start- en stopknoppen wanneer de boot in het water ligt.

LET OP:

  • · Start de motor niet buiten het water. Oververhitting en ernstige schade zijn waarschijnlijk.
  • · Inspecteer de motor en de bevestiging ervan.
  • · Controleer op losse of beschadigde bevestigingsmiddelen.
  • · Controleer de schroef op schade.

Controleren van het motorolieniveau

  1. Zet de motor verticaal (niet gekanteld).

Buitenboordmotor in verticale stand voor oliecontrole

  1. Controleer het olieniveau met de peilstok en zorg ervoor dat het niveau tussen de bovenste en onderste markering ligt. Voeg olie toe als het niveau onder de onderste markering ligt, of tap iets af als het boven de bovenste markering ligt.

Positie van de oliepeilstok in de motor

Bovenste en onderste markeringen op de oliepeilstok

  1. Peilstok 2. Bovenste markering 3. Onderste markering

LET OP:

Zorg ervoor dat u de peilstok er helemaal in steekt.

2.4 Brandstof bijvullen

WAARSCHUWING:

Benzine en de dampen ervan zijn uiterst brandbaar en explosief. Blijf uit de buurt van vonken, sigaretten en open vuur.

    1. Verwijder de tankdop.
    1. Vul de tank voorzichtig.
    1. Draai de dop stevig vast na het vullen. Veeg gemorste benzine weg.

2.5 Motor starten

  1. Sluit de brandstofconnectoren correct aan nadat u de ontluchtingsschroef op de dop heeft losgedraaid (2-3 slagen).

Ontluchtingsschroef op de tankdop losdraaien

Brandstofslang aansluiten op de motor

  1. Bevestig de connectoren en knijp in de opvoerpomp (pijl omhoog) totdat deze hard aanvoelt (indien voorzien van connector).

In de opvoerpomp knijpen met de pijl omhoog

Opvoerpomp voelt hard aan als er brandstof is opgepompt

(EFI-model, handmatige start)

Verwijder de kap van de ontluchtingsklep, sluit de meegeleverde ontluchtingsset aan en plaats de rubberen slang van de set in de vulopening van de tank. Trek herhaaldelijk aan de starthandgreep totdat er brandstof in de transparante slang van de set verschijnt. Verwijder de set en start de motor. Als de motor niet start, sluit u de set weer aan en herhaalt u de procedure. Plaats de kap terug na het verwijderen van de set.

(EFI-model, elektrische start)

Verwijder de ontluchtingskap, sluit de ontluchtingsset aan en plaats de slang in de tank. Draai de sleutel 5 seconden naar de stand "ON" en daarna naar "OFF". Herhaal dit totdat er brandstof in de slang te zien is. Verwijder de set en start de motor. Herhaal indien nodig. Plaats de kap terug.

OPMERKING:

  • Deze stap is alleen nodig bij een nieuwe motor, nadat de brandstof op is geweest, na langdurige opslag of na het aftappen van het circuit voor onderhoud.
  • Het uiteinde van de slang moet 2-3 cm boven het brandstofniveau liggen, zodat de brandstof bij het ontluchten terug de tank in kan stromen.

Als de slang kort is, verleng deze dan met een externe slang om de terugstroom naar de tank te garanderen.

Positie van de ontluchtingsklep in de motor

Ontluchtingsklepkap verwijderen

Ontluchtingsset aangesloten op de klep

Slang van de ontluchtingsset geplaatst in de brandstoftank

Ontluchtingsklep Klepkap Ontluchtingsset

    1. Knijp de opvoerpomp opnieuw in totdat deze hard aanvoelt (EFI-model).
    1. Zet de hendel in de vrijstand.

Schakelhendel in de vrijstand

Noodstopkoord bevestigd aan kleding

OPMERKING:

De startbeveiliging voorkomt starten tenzij de motor in de vrijstand staat. Bevestig het noodstopkoord stevig aan uw kleding of een ledemaat. Steek de vergrendelingsplaat aan het andere uiteinde in de schakelaar.

WAARSCHUWING:

  • De motor moet in de vrijstand worden gestart, anders kan het startmechanisme beschadigd raken of gevaar opleveren.
  • Bevestig het koord niet aan kleding die gemakkelijk losraakt. Zorg ervoor dat het koord nergens achter kan blijven haken.
  • Voorkom dat er tijdens het varen per ongeluk aan het koord wordt getrokken. Het stoppen van de motor veroorzaakt verlies van manoeuvreerbaarheid. De boot kan ook abrupt stoppen, waardoor mensen of voorwerpen naar voren kunnen vliegen.

Noodstopschakelaar met geplaatste vergrendelingsplaat

Positie van de noodstopschakelaar in de motor

  1. Draai de gasgreep naar de "START" positie (Carburateurmodel, handmatig).

Draai de gasgreep naar de minimale positie (EFI-model, handmatig). Draai het contactslot naar "ON" (Elektrische start).

Gasgreep op START (carburateurmodel)

Gasgreep op stationair (EFI-model)

Contactslot op ON voor elektrische start

  1. Trek langzaam aan de starthandgreep tot u weerstand voelt. Trek dan krachtig en snel naar buiten om de motor te starten. Herhaal indien nodig. Draai de sleutel maximaal 5 seconden naar "START" (Elektrische start).

Trekken aan de handgreep om de motor te starten

Contactslot op START voor elektrische start

    1. Zodra de motor is gestart, laat u de handgreep langzaam teruggaan voordat u hem loslaat. Laat de sleutel los zodra de motor start (Elektrische start).
    1. Draai het gas langzaam terug naar de volledig gesloten stand.

LET OP:

  • · Een koude motor moet warmdraaien.
  • · Als de motor niet onmiddellijk start, herhaal dan de stappen. Als de motor na 4-5 pogingen niet start, open dan het gas een klein beetje (1/8 tot 1/4) en probeer het opnieuw (Carburateurmodel).
  • · Als het EFI-model niet onmiddellijk start, herhaal dan stappen 3 en 4 en probeer het opnieuw.

OPMERKING:

Draai de sleutel nooit naar "START" terwijl de motor draait.

Gebruik de startmotor niet langer dan 5 opeenvolgende seconden. Dit ontlaadt de accu en kan de startmotor beschadigen. Als de motor na 5 seconden niet start, wacht dan 10 seconden en probeer het opnieuw.

2.6 Motor warmdraaien

  1. Houd na het starten de hendel in de vrijstand. Laat de motor ongeveer 3 minuten warmdraaien op 1/5 gas of minder. Zo niet, dan wordt de levensduur van de motor verkort.
  2. Zorg ervoor dat er een gestage straal water uit het controlegaatje van de koeling komt.

Gestage waterstraal uit het controlegaatje van de koeling

LET OP:

  • · Als er geen water naar buiten komt terwijl de motor draait, zet deze dan uit en controleer of de waterinlaat of het gaatje verstopt is.
  • · Als de fout niet kan worden gevonden, neem dan contact op met uw dealer.

2.7 Schakelen

WAARSCHUWING:

Zorg ervoor dat er geen zwemmers of obstakels in het water zijn voordat u een versnelling inschakelt.

LET OP:

Zet het gas terug naar stationair voordat u overschakelt van vooruit naar achteruit.

2.7.1 Vooruit

  1. Draai de gasgreep volledig dicht.

Gas dicht bij het inschakelen van de vooruitversnelling

  1. Verplaats de schakelhendel snel en krachtig vanuit de vrijstand naar de vooruitversnelling. Op de afstandsbediening trekt u de beveiliging omhoog en duwt u de hendel naar voren.

Verplaatsen van de schakelhendel van vrij naar vooruit

Afstandsbedieningshendel naar voren geduwd

2.7.2 Achteruit

WAARSCHUWING :

Vaar langzaam in de achteruitversnelling. Open het gas niet meer dan de helft. De boot kan instabiel worden, wat leidt tot verlies van controle.

  1. Draai de gasgreep volledig dicht.

Gas dicht bij het inschakelen van de achteruitversnelling

  1. Verplaats de hendel snel en krachtig vanuit de vrijstand naar de achteruitversnelling.

Zorg ervoor dat de kantelvergrendeling is geactiveerd. Op de afstandsbediening trekt u aan de beveiliging en trekt u de hendel naar achteren.

Verplaatsen van de schakelhendel naar de achteruitversnelling

Afstandsbedieningshendel naar achteren getrokken

2.8 Bedieningshendel (Helmstok)

1. Veranderen van richting

Verander van richting door de bedieningshendel naar links of naar rechts te draaien.

Gebruik van de helmstok om van richting te veranderen

2. Veranderen van snelheid (toeren)

Verhoog de snelheid door de greep tegen de klok in te draaien en verlaag de snelheid door met de klok mee te draaien.

3. Gasindicator

De gasindicator bevindt zich op de greep. De verbruikscurve toont het relatieve verbruik in verschillende standen. Kies de stand die de beste balans biedt tussen prestaties en verbruik.

Gasindicator die het brandstofverbruik toont

  1. Gasindicator

4. Instelling van de gasfrictie

De stelschroef bevindt zich op de bedieningshendel. Verhoog de weerstand met de klok mee en verlaag deze tegen de klok in. Gebruik de vergrendeling om het gas op een constant toerental te houden.

Stelschroef voor gasfrictie op de helmstok

Frictie in beide richtingen instellen

WAARSCHUWING:

Draai niet te strak vast. Te veel weerstand maakt het bedienen van het gas moeilijk en kan tot een ongeluk leiden.

2.9 Motor stoppen

OPMERKING:

Laat de motor na het varen met hoge toeren enkele minuten stationair afkoelen voordat u hem uitzet.

  1. Houd de stopknop ingedrukt totdat de motor volledig tot stilstand is gekomen.

Ingekruiste stopknop om de motor uit te zetten

Noodstopkoord verwijderen om de motor uit te zetten

OPMERKING:

Als de motor een noodstop (Quick-stop) heeft, wordt deze ook uitgezet door aan het koord te trekken zodat de plaat loskomt.

  1. Draai de ontluchtingsschroef op de tankdop vast.

Ontluchtingsschroef op de tankdop vastdraaien

  1. Koppel de brandstofslang los.

Brandstofslang loskoppelen van de motor

Detailoverzicht van het verwijderen van de brandstofslang

2.10 Trimhoek aanpassen

De steun heeft 4 of 5 gaten om de trim aan te passen.

    1. Zet de motor uit.
    1. Verwijder de trimpen uit de steun door de motor iets op te tillen.

Trimpen verwijderen uit de steun

  1. Verplaats de pen naar het gewenste gat. Probeer verschillende standen om de hoek te vinden die het beste bij uw boot en de omstandigheden past.

Trimgaten op de steun

Zet de motor uit voor het afstellen.

Zorg dat u uw vingers niet beknelt bij het verplaatsen van de pen.

Wees voorzichtig bij het testen van een nieuwe instelling. Versnel geleidelijk en observeer de stabiliteit.

Een verkeerde trimhoek kan verlies van controle veroorzaken.

Drie triminstellingen die een hoge of lage boeg tonen

Foto's hierboven van links naar rechts: boeg correct omhoog, te ver omhoog en te laag.

De juiste hoek vermindert de weerstand en verbetert de stabiliteit.

Te veel trim naar buiten tilt de boeg te ver omhoog, waardoor er weerstand ontstaat en de boot kan gaan "stappen" (beuken), met risico op het overboord vallen van de inzittenden.

Een te lage boeg zorgt ervoor dat de boot door het water "ploegt", wat de weerstand aanzienlijk verhoogt. Het sturen wordt zwaar en bij hoge snelheden kan de boeg in een golf duiken.

2.11 Kantelen (Tilt)

Als de motor niet wordt gebruikt of als u in ondiep water vaart, moet deze omhoog worden gekanteld om de schroef en het staartstuk te beschermen tegen contact met de bodem en om corrosie te verminderen.

WAARSCHUWING:

Zorg ervoor dat er niemand bij de motor staat tijdens het kantelen. Let op beknellingsgevaar.

OPMERKING:

Kantel de motor niet door aan de helmstok te trekken, deze kan breken. Kantelen is niet mogelijk als de achteruitversnelling is ingeschakeld.

2.11.1 Omhoog kantelen

  1. Zet de hendel in de vrijstand.

Hendel in vrijstand voor het kantelen

Detail van de vrijstand van de schakelhendel

  1. Draai de stuurfrictie met de klok mee vast om te voorkomen dat de motor vrij kan bewegen.

Vastdraaien van de stuurfrictie

  1. Koppel de brandstofslang los van de motor.

Brandstofslang loskoppelen voor het kantelen

  1. Zet de vergrendelingshendel (indien aanwezig) in de bovenste stand.

Vergrendelingshendel in de bovenste stand zetten

  1. Trek aan de transporthandgreep en kantel de motor volledig omhoog totdat deze automatisch vergrendelt.

Motor volledig omhoog gekanteld en vergrendeld

2.11.2 Omlaag kantelen

    1. Til de motor iets op en ontgrendel hem.
    1. Laat de motor langzaam zakken door de vergrendelingshendel in de onderste stand te zetten.

Vergrendelingshendel in de onderste stand zetten

  1. Stel de stuurfrictie in op uw voorkeur.

Stuurfrictie instellen

WAARSCHUWING:

Te veel stuurweerstand maakt sturen moeilijk en kan een ongeluk veroorzaken.

2.12 Varen in andere omstandigheden

2.12.1 Varen in ondiep water

De motor kan gedeeltelijk worden gekanteld voor het varen in ondiep water.

WAARSCHUWING :

Zet de hendel altijd in de vrijstand voordat u de positie voor "ondiep water" aanpast.

Laat de motor zakken naar de normale stand zodra het water weer dieper is.

LET OP:

De waterinlaat moet altijd ondergedompeld zijn. Oververhitting kan ernstige schade veroorzaken. Raadpleeg de kantelinstructies in gedeelte 2.10.

2.12.2 Varen in zout water

Spoel het koelsysteem na elk gebruik met zoet water om zoutafzetting te voorkomen.

2.13 Waarschuwingslampjes en oplossingen

De motor is uitgerust met waarschuwingslampjes voor oliedruk en temperatuur.

Als de oliedruk te laag wordt of te hoog wordt (boven 2200 tpm), gaat het lampje branden en wordt het motortoerental beperkt. Zet de motor zo snel mogelijk uit en controleer het olieniveau.

OPMERKING:

  • 1. Controleer het olieniveau. Voeg olie toe of tap iets af indien nodig (gedeelte 2.3).
  • 2. Als het niveau correct is maar het lampje blijft branden, neem dan contact op met uw dealer.

Als de temperatuur te hoog wordt (boven 2200 tpm gedurende meer dan 20 s), gaat het lampje branden of knipperen. Het toerental wordt beperkt totdat de temperatuur gedurende ten minste 10 s weer normaal is.

OPMERKING:

Controleer de koelwaterstraal:

  • 1. Als er geen water uitkomt, controleer dan de waterinlaten en het gaatje. Reinig ze of neem contact op met uw dealer.
  • 2. Neem contact op met uw dealer als de waterstraal normaal is.

WAARSCHUWING:

Blijf de motor niet gebruiken totdat de fout is verholpen, anders kan de motor ernstig beschadigd raken.

3. Onderhoud

Regelmatig onderhoud is essentieel om de prestaties van uw buitenboordmotor te garanderen.

WAARSCHUWING:

Zorg ervoor dat de motor uit staat voor onderhoud, tenzij anders aangegeven.

Als u zich niet prettig voelt bij onderhoudstaken, laat ze dan uitvoeren door uw dealer of een professional.

LET OP:

Gebruik alleen originele onderdelen of onderdelen van gelijkwaardige kwaliteit.

3.1 Smering

Smeerpunten op de motor

3.2 Reinigen en afstellen van de bougies

Inspecteer de bougies regelmatig op slijtage en koolstofaanslag. Vervang ze indien nodig door het juiste type.

Meet de elektrodeafstand voor montage en pas deze aan.

Elektrodeafstand meten met een voelmaat

Reinig het pasvlak van de pakking en gebruik een nieuwe ring. Draai de bougie vast met het juiste aanhaalmoment.

3.3 Inspectie van het brandstofsysteem

  1. Inspecteer de slangen op lekkages of scheuren. Als u defecten vindt, laat ze dan onmiddellijk repareren door een professional.

Slangen van het brandstofsysteem inspecteren op lekkages

Inspectiepunten voor brandstofsysteemverbindingen

Diagram voor controle op brandstoflekkages

Controleer regelmatig op lekkages.

Bij een lekkage moet de reparatie door een professional worden uitgevoerd.

  1. Inspecteer het filter regelmatig en reinig het indien nodig.

Positie van het brandstoffilter in de motor

3.3.1 Brandstoffilter reinigen

  1. Draai de bevestigingsmoer van het filter los (indien aanwezig).

Bevestigingsmoer van het filterhuis verwijderen

    1. Schroef de filterpot los (houd een doek eronder).
    1. Verwijder het element (filter) en was het met een oplosmiddel. Maak het droog. Controleer de staat en de O-ring. Vervang indien nodig. Als er water in zit, reinig dan ook de tank.

Componenten van het filter: pot, O-ring en element

    1. Filterpot 2. O-ring 3. Element 4. Behuizing
    1. Plaats het element in de pot, controleer de O-ring en schroef de pot op de behuizing.
    1. Monteer alles weer, start de motor en controleer op lekkages.

3.4 Controleren van het stationair toerental

Gebruik een toerenteller. Het resultaat kan variëren afhankelijk van de testomgeving (testbak/open water).

    1. Laat de motor in de vrijstand warmdraaien tot deze stabiel loopt.
    1. Controleer of het stationair toerental 1050±50 tpm is.

LET OP:

De controle wordt alleen uitgevoerd bij een warme motor. Neem contact op met een professional als een afstelling nodig is.

3.5 Motorolie verversen

WAARSCHUWING:

Tap de olie niet onmiddellijk na het varen af. Hete olie kan brandwonden veroorzaken.

Zorg ervoor dat de motor goed is vastgezet.

LET OP:

Ververs de olie na de eerste 10 uur, daarna elke 100 uur of 6 maanden. Vaker afhankelijk van het gebruik. Ververs de olie bij een warme motor.

  1. Zet de motor verticaal.
  2. Plaats een opvangbak eronder. Verwijder de aftapplug en de vuldop. Laat alle olie eruit lopen. Maak gemorste olie schoon.

Olieplug boven een opvangbak verwijderen

Motorolie aftappen in de opvangbak

    1. Gebruik een nieuwe ring en draai de plug vast.
    1. Vul met de juiste hoeveelheid olie en sluit de dop.
    1. Start de motor en controleer op lekkages.
    1. Na het uitzetten 3 minuten wachten en het niveau controleren met de peilstok.

LET OP:

Ververs de olie vaker als u veel sleept (trollen).

3.6 Inspectie van bedrading en connectoren

Controleer de bevestiging van massakabels en de reinheid en het vastzitten van connectoren.

3.7 Controle op lekkages

Controleer op water- of uitlaatlekkages tussen de pakkingen (cilinderkop/blok). Controleer ook op olielekkages.

LET OP:

Neem bij een lekkage contact op met uw dealer.

3.8 Inspectie van de schroef

WAARSCHUWING:

Zorg ervoor dat de motor niet gestart kan worden (bougiekabels los, vrijstand, etc.) voordat u met de schroef werkt. Het risico op een ongeluk is groot.

Houd de schroef niet met de hand vast bij het losdraaien van de moer. Gebruik een stuk hout om hem te blokkeren.

Schroef blokkeren met hout voor inspectie

Schroef en as inspecteren op schade

    1. Controleer de bladen op slijtage, cavitatie en schade.
    1. Controleer de schroefas.
    1. Controleer de splines en de splitpen.
    1. Verwijder eventuele vislijn die om de as gewikkeld zit.
    1. Controleer de oliekeerring van de as.

3.8.1 Demontage van de schroef

    1. Recht de splitpen en verwijder deze met een tang.
    1. Verwijder de moer, de ring en de afstandshuls.
    1. Verwijder de schroef en de drukring (thrust washer).

3.8.2 Montage van de schroef

LET OP:

Vergeet de drukring niet voor het plaatsen van de schroef om schade aan het staartstuk te voorkomen.

Gebruik altijd een nieuwe splitpen en buig de uiteinden goed om.

    1. Smeer de as in met watervast vet.
    1. Monteer de drukring en de schroef.
    1. Monteer de afstandshuls, de ring en de moer.
    1. Draai de moer vast tot deze uitgelijnd is met het gat voor de splitpen, steek een nieuwe splitpen erdoor en buig hem om.

3.9 Staartolie verversen

WAARSCHUWING:

Zorg voor een stabiele motor. Ga nooit onder een gekantelde motor staan, zelfs niet met de kantelvergrendeling. Risico op ernstig letsel.

    1. Kantel de motor zodat de aftapplug op het laagste punt zit.
    1. Plaats een bak eronder.
  1. Draai de aftapplug los.

Positie van de aftapplug en niveaus op het staartstuk

    1. Aftapplug
    1. Niveauschakelaar (vullen)

LET OP:

Ververs de staartolie na de eerste 10 uur, daarna elke 100 uur of 6 maanden.

  1. Draai de niveauschakelaar los om alle olie eruit te laten lopen.

LET OP:

Als de olie melkachtig wit is, zit er water in. Neem contact op met uw dealer.

    1. Pomp nieuwe olie (250 ml) via het onderste gat naar binnen.
    1. Wanneer er olie uit het bovenste gat komt, draait u de bovenste schroef vast (nieuwe ring).
  1. Draai de onderste plug vast (nieuwe ring).

3.10 Reinigen van de brandstoftank

WAARSCHUWING:

  • Blijf tijdens het reinigen uit de buurt van ontstekingsbronnen.
  • Reinig de tank buiten of in een goed geventileerde ruimte.
    1. Leeg de tank in een goedgekeurde verzamelcontainer.
    1. Spoel met een kleine hoeveelheid oplosmiddel/reinigingsmiddel en maak hem volledig leeg.
    1. Verwijder de aanzuigslang uit de brandstofconnector van de tank.
    1. Reinig het zeefje (filter) en maak het droog.
    1. Gebruik een nieuwe pakking bij de montage.

3.11 Inspectie en vervanging van anodes

Inspecteer de anodes regelmatig en verwijder aanslag. Vraag uw dealer om ze indien nodig te vervangen.

LET OP:

Schilder de anodes nooit over. Dit voorkomt hun werking en de motor zal corresponderen.

Positie van de externe anode op het staartstuk

3.12 Inspectie van de bovenkap

Zorg ervoor dat de bovenkap goed vastzit door deze met beide handen aan te drukken. Als er speling is, neem dan contact op met uw dealer.

Controle van de bevestiging van de bovenkap

3.13 Onderhoudsschema

Onder normale omstandigheden is de levensduur van de motor ongeveer 350 uur of 10 jaar met correct onderhoud.

Intervallen kunnen variëren afhankelijk van het gebruik. Hieronder volgen algemene richtlijnen.

"•" = kan door u zelf worden uitgevoerd.

"O" = moet door uw dealer worden uitgevoerd.

ItemUitvoerderInitieelIntervallen
ItemActie10 u
(1 mnd)
50 u
(3 mnd)
100 u
(6 mnd)
200 u
(1 jaar)
Anodes (extern)Cont/verv●/○●/○
Anodes (intern)Cont/verv
KoelkanalenSpoelen
KapvergrendelingInspectie
BrandstoffilterCont/reinigen
Brandstofsyst.Inspectie
BrandstoftankCont/reinigen
StaartolieVerversen
SmeerpuntenSmeren
Stationair (carb.)Cont/afstellen●/○●/○
Schroef/splitpenCont/verv
SchakelkabelsCont/afstellen
ThermostaatInspectie
GaskabelsCont/afstellen
WaterpompInspectie
MotorolieCont/verversen
OliefilterVervanging
BougiesRein/Afst/Verv
DistributieriemCont/vervangen
KlepspelingCont/afstellen

OPMERKING:

Bij gebruik in zout of troebel water de motor altijd met zoet water spoelen.

4. Transport en opslag

4.1 Transport

De buitenboordmotor moet in de normale stand worden getransporteerd. Als er niet genoeg ruimte is onder het staartstuk, kan deze worden gekanteld, maar er moet een aparte steun (motor support) worden gebruikt.

LET OP:

Gebruik de vaste kantelvergrendeling van de motor niet tijdens transport, deze kan breken door trillingen.

Motor op trailer gekanteld transporteren

  • Ga niet onder een gekantelde motor staan.
  • Bewaar de gedemonteerde motor verticaal of volgens de onderstaande afbeeldingen.

Zie de foto's voor de juiste posities bij transport en opslag.

Verticale stand bij transport

Horizontale stand bij transport

Buitenboordmotor op zijn kant met steunen

Beschermd transport op een handdoek

LET OP:

Gebruik een bescherming (bijv. een handdoek) eronder.

Leg de motor nooit op zijn zij voordat u de olie heeft afgetapt, om te voorkomen dat er olie in de cilinders komt.

4.2 Opslag

Voor opslag langer dan 2 maanden zijn maatregelen nodig om schade te voorkomen.

Wij adviseren dit door een professional te laten doen, maar u kunt het ook zelf doen:

LET OP:

Sla de motor verticaal op. Als hij neergelegd moet worden, tap dan eerst de olie af.

Wacht tot al het koelwater is weggelopen.

Bewaar de motor op een droge, geventileerde plaats, beschermd tegen de zon.

    1. Was de buitenkant met zoet water.
    1. Koppel de brandstof los en draai de ontluchtingsschroef vast.
    1. Verwijder de bovenkap.
    1. Plaats de motor in een testbak.
    1. Minimum waterniveau
    1. Wateroppervlak
    1. Anticavitatieplaat

Spoelen in een testbak

  1. Vul de bak zodat het niveau boven de anticavitatieplaat uitkomt.

LET OP:

Als er onvoldoende water is, kan de motor vastlopen.

  1. Start de motor en spoel het systeem door. Gebruik tegelijkertijd conserveringsolie (fogging oil).

WAARSCHUWING:

  • Raak de elektrische delen niet aan terwijl de motor draait.
  • Houd haar en kleding uit de buurt van bewegende delen.
    1. Laat de motor enkele minuten op verhoogd stationair draaien.
    1. Spuit de conserveringsolie in de carburateur of inlaat voordat u de motor uitzet.
    1. Als u geen conserveringsolie heeft, laat de motor dan draaien tot de brandstof op is. Doe een theelepel olie in de cilinders via de bougiegaten en draai het vliegwiel met de hand rond. Draai de bougies er weer in.
  1. Maak de tank leeg en zorg ervoor dat er geen water in de motor achterblijft. Reinig de buitenkant.

LET OP:

Bewaar de tank op een droge en koele plaats.

4.3 Spoelsysteem

Spoelen na gebruik:

LET OP:

Start de motor niet tijdens deze stap. De waterpomp kan beschadigd raken.

  1. Draai de aansluiting op de motor los.

Spoelaansluiting op de motor

  1. Dop, 2. Aansluiting
    1. Bevestig een tuinslang aan de aansluiting en zet de kraan open.
    1. Spoel gedurende 15 minuten. Zet het water uit en koppel de slang los.
    1. Draai de aansluiting weer op zijn plaats.

WAARSCHUWING:

Laat de aansluiting niet open tijdens het varen om verlies van koelwater te voorkomen, wat oververhitting veroorzaakt.

5. Noodprocedures

5.1 Impactschade

Als u iets raakt:

    1. Stop onmiddellijk.
    1. Controleer de bediening en op schade.
    1. Vaar langzaam naar de dichtstbijzijnde haven.
    1. Laat een professional de motor controleren.

5.2 Startmotor werkt niet

In geval van nood kan de motor met een touw worden gestart.

WAARSCHUWING:

Alleen gebruiken in geval van nood om de haven te bereiken.

De startbeveiliging werkt dan niet. Zorg ervoor dat de motor in de vrijstand staat.

Zorg ervoor dat er niemand achter u staat bij het trekken.

Monteer de startmotor of de bovenkap niet terwijl de motor draait.

Procedure:

    1. Verwijder de bovenkap.
    1. Verwijder de riembeschermer en de koordvergrendeling.

Beschermer en koord verwijderen

  1. Riembeschermer 2. Koord
  2. Verwijder het startmechanisme (3 bouten). Koppel de lichtkabels los.

Startmechanisme verwijderen

  1. Bereid de start voor (gedeelte 2.5).
    1. Bevestig de knoop van het touw in de inkeping van het vliegwiel en wikkel het touw met de klok mee.
    1. Trek tot u weerstand voelt.

Noodkoord om het vliegwiel gewikkeld

  1. Trek krachtig om te starten.

5.3 Behandeling van een ondergedompelde motor

Als de motor onder water is geweest, breng hem dan onmiddellijk naar een servicepunt om corrosie te voorkomen. Als er geen hulp direct beschikbaar is:

    1. Spoel met zoet water.
    1. Verwijder de bougies en laat het water eruit lopen.
    1. Tap de brandstof en de motorolie af.
    1. Voeg nieuwe olie toe.
    1. Spuit conserveringsolie in de carburateur en cilinders terwijl u de motor ronddraait.
    1. Breng de motor zo snel mogelijk naar een servicepunt.

LET OP:

Probeer niet te starten voordat een professional de motor heeft gecontroleerd.

6. Probleemoplossing

ProbleemMogelijke oorzaakOplossing
Startmotor draait nietDefect in startmotor/comp.Contact servicepunt
Startmotor draait nietVersnelling ingeschakeldIn vrijstand zetten
Start niet (startmotor draait)Tank leegBijvullen
Start niet (startmotor draait)Oude/vervuilde brandstofBrandstof vervangen
Start niet (startmotor draait)Filter verstoptReinigen/vervangen
Start niet (startmotor draait)Brandstofpomp defectContact servicepunt
Start niet (startmotor draait)Bougies vervuildControleren/vervangen
Start niet (startmotor draait)Bougiekabels losAansluiten
Start niet (startmotor draait)Ontstekingssyst. defectContact servicepunt
Start niet (startmotor draait)Quick-stop niet geplaatstPlaatsen
Start niet (startmotor draait)Interne schadeContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afBougies defectControleren/vervangen
Onstabiele loop/slaat afVerstopping in circuitSlangen controleren
Onstabiele loop/slaat afOude brandstofBrandstof vervangen
Onstabiele loop/slaat afFilter verstoptReinigen/vervangen
Onstabiele loop/slaat afVerkeerde elektrodeafstandAfstand instellen
Onstabiele loop/slaat afBedradingsfoutKabels controleren
Onstabiele loop/slaat afVerkeerde olieOlie verversen
Onstabiele loop/slaat afThermostaat defectContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afCarb. instelling foutContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afCarburateur vervuildContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afBrandstofpomp defectContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afOntluchting dichtSchroef openen
Onstabiele loop/slaat afConnector niet goed vastGoed vastzetten
Onstabiele loop/slaat afKlepinstelling foutContact servicepunt
Onstabiele loop/slaat afChoke getrokkenChoke induwen
Onstabiele loop/slaat afMotor te ver gekanteldMotor laten zakken
VermogensverliesSchroef beschadigdRepareren/vervangen
VermogensverliesVerkeerde trimstandTrim aanpassen
VermogensverliesMontagehoogte foutHoogte aanpassen
VermogensverliesBodem boot vuilBodem reinigen
VermogensverliesWier aan staartstukReinigen
VermogensverliesBougies defectControleren/vervangen
VermogensverliesSlangen bekneldSlangen controleren
VermogensverliesFilter verstoptReinigen/vervangen
VermogensverliesOude brandstofBrandstof vervangen
VermogensverliesVerkeerde elektrodeafstandAfstand instellen
VermogensverliesBedradingsfoutKabels controleren
VermogensverliesOntsteking defectContact servicepunt
VermogensverliesVerkeerde olieOlie verversen
VermogensverliesThermostaat defectContact servicepunt
VermogensverliesOntluchting dichtSchroef openen
VermogensverliesPomp defectContact servicepunt
VermogensverliesConnector losAansluiten
VermogensverliesVerkeerde bougiesJuiste type plaatsen
Sterke trillingenSchroef beschadigdRepareren/vervangen
Sterke trillingenAs beschadigdContact servicepunt
Sterke trillingenWier aan schroefReinigen
Sterke trillingenMontagebouten losVastdraaien
Sterke trillingenHelmstok losVastdraaien
Sterke trillingenStang beschadigdContact servicepunt

7. Elektrisch schema

F15A/F20ABM

Elektrisch schema F15A F20A BM

    1. C.D.I. Unit
    1. Laadspoel
    1. Vliegwiel / Magneet
    1. Verlichtingsspoel
    1. Pulsspoel
    1. Solenoïdeklep
    1. Bobine
    1. Bougie
    1. Temperatuursensor
    1. Oliedruksensor
    1. Stopknop
    1. Waarschuwingslampje

F15A/F20ABW

Elektrisch schema F15A F20A BW

    1. C.D.I. Unit
    1. Laadspoel
    1. Vliegwiel
    1. Verlichtingsspoel
    1. Pulsspoel
    1. Solenoïdeklep
    1. Gelijkrichter
    1. Zekering
    1. Startmotor
    1. Startrelais
    1. Accu
    1. Bobine
    1. Bougie
    1. Thermische sensor
    1. Oliedruksensor
    1. Vrijloopschakelaar
    1. Startknop
    1. Stopknop
    1. Waarschuwingslampje
    1. Trimmotor
    1. Klemmenblok
    1. Trimrelais
    1. Trimschakelaar

F15A/F20AFW

Elektrisch schema F15A F20A FW

    1. C.D.I. Unit
    1. Laadspoel
    1. Vliegwiel
    1. Verlichtingsspoel
    1. Pulsspoel
    1. Solenoïdeklep
    1. Gelijkrichter
    1. Zekering
    1. Startmotor
    1. Startrelais
    1. Accu
    1. Bobine
    1. Bougie
    1. Thermische sensor
    1. Oliedruksensor
    1. Waarschuwingslampje
    1. Trimmotor
    1. Klemmenblok
    1. Trimrelais
    1. Trimschakelaar

F15EFI/F20EFI BM

Elektrisch schema F15EFI F20EFI BM

  1. Bougie 2. Bobine 3. Injector 4. Brandstofpomprelais 5. Pulsspoel 6. Verlichtingsspoel 7. E.C.U. 8. Oliedrukbeveiliging 9. Waarschuwingslampje 10. Temperatuursensor 11. Stopknop 12. Gelijkrichter 13. Zekering 14. Elektrische brandstofpomp 15. Luchttemp/druksensor 16. Gaskleppositiesensor 17. Condensator Gr: grijs Lg: lichtgroen Pu: paars O: oranje Y: geel R: rood P: roze B: zwart G: groen W: wit L: blauw Br: bruin G/W: groen-wit B/W: zwart-wit Br/L: bruin-blauw Y/B: geel-zwart P/B: roze-zwart Y/R: geel-rood P/W: roze-wit G/W: groen-wit L/W: blauw-wit R/W: rood-wit B/R: zwart-rood Y/G: geel-groen

F15EFI/F20EFI BW

Elektrisch schema F15EFI F20EFI BW

  1. Bougie 2. Bobine
  2. Injector
  3. Brandstofpomprelais
  4. Pulsspoel
  5. Verlichtingsspoel
  6. E.C.U.
  7. Oliedrukbeveiliging
  8. Waarschuwingslampje
  9. Temperatuursensor
  10. Stopknop
  11. Gelijkrichter
  12. Zekering
  13. Elektrische brandstofpomp
  14. Luchttemp/druksensor
  15. Gaskleppositiesensor
  16. Accu
  17. Startmotor
  18. Startrelais
  19. Vrijloopschakelaar
  20. Startknop

Gr: grijs

Lg: lichtgroen

Pu: paars O: oranje

Y: geel

R: rood

P: roze B: zwart

G: groen W: wit

L: blauw

Br: bruin G/W: groen-wit

B/W: zwart-wit

Br/L: bruin-blauw

Y/B: geel-zwart

P/B: roze-zwart

Y/R: geel-rood

P/W: roze-wit

G/W: groen-wit

L/W: blauw-wit R/W: rood-wit

B/R: zwart-rood

Y/G: geel-groen

69

F15EFI/F20EFI FW

Elektrisch schema F15EFI F20EFI FW

  1. Bougie 2. Bobine 3. Injector 4. Brandstofpomprelais 5. Pulsspoel 6. Verlichtingsspoel 7. E.C.U. Gr: grijs Lg: lichtgroen Pu: paars O: oranje Y: geel R: rood P: roze Y/R: geel-rood P/W: roze-wit G/W: groen-wit L/W: blauw-wit R/W: rood-wit B/R: zwart-rood Y/G: geel-groen
  2. Oliedrukbeveiliging 9. Waarschuwingslampje 10. Temperatuursensor 11. Stopknop 12. Gelijkrichter B: zwart G: groen W: wit L: blauw Br: bruin
  3. Zekering 14. Elektrische brandstofpomp 15. Luchttemp/druksensor 16. Gaskleppositiesensor 17. Accu G/W: groen-wit B/W: zwart-wit Br/L: bruin-blauw Y/B: geel-zwart P/B: roze-zwart
  4. Startmotor 19. Startrelais

Afstandsbedieningskast

Elektrisch schema afstandsbedieningskast